Liemers Knooppad

Historie van de Liemers

De Liemers bestaat. Al eeuwen !
’Wáár ben je geweest?’
’Liemers.’
’Nooit van gehoord.’
’Gelderse Poort dan, Montferland, Zevenaar.’
’Oh, dáár.’

De dialoog doet anders vermoeden, maar er bestaat al vele eeuwen een streek die Liemers of Lijmers wordt genoemd. De Regio VVV Arnhem heette tot voor kort VVV Arnhem, de Zuid-Veluwe en de Liemers. De Grote Winkler Prins omschrijft Liemers als een ’historisch-geografische landschapseenheid (. . .), begrensd door de Rijn, de IJssel, de Oude IJssel, de weg Keppel-Wehl-Zeddam-’s Heerenberg en de Nederlands-Duitse grens’.
In het lemma over Liemers moeten wandelaars, fietsers, skeelers, gemotoriseerde recreanten en de bewoners zelf toch de streek herkennen, waar een schitterend rivierenlandschap met slingerdijkjes en monumentale havezates overgaat in het heuvelachtige Montferland?

Was het maar zo eenvoudig. Streekarchivarissen J. W. van Petersen en J. Th. M. Giesen wijzen op historische grenzen: op het Ambt Lijmers dat deel uit maakte van het hertogdom Kleef (later Pruisen) en pas in 1816 aan het Koninkrijk der Nederlanden werd toegevoegd; op gemeenten als Duiven en Zevenaar en, met wat goede wil, op Wehl en Didam.
Zoveel is zeker: Liemers besloeg niet altijd hetzelfde gebied. Ruim duizend jaar geleden was de regio Emmerich bekend onder de naam Pagus Leomerike, waarbij Pagus op gouw of gewest sloeg en Leomerike op lemige grond. Volgens de jongste aanduiding, die verder gaat dan de encyclopedie en een deel van de inwoners te ver gaat, ligt Liemers tussen Rijn, IJssel, Oude IJssel en Duitse grens. In deze variant is Megchelen met zijn grote, Duits aandoende boerenhoeven de meest oostelijke plaats van Liemers.
De meest recente afbakening hanteert ook J. Smits uit Didam. Smits heeft gewerkt aan een proefschrift over de sociaal-economische ontwikkeling van Liemers, waarin hij afrekent met een aantal vooroordelen. Smits: ’De rivieren bestendigden honderden jaren het isolement van Liemers, maar daarom was het gebied nog niet achterlijk. De ontwikkeling van Liemers verschilt niet zoveel van die van de rest van Nederland.’

Evenals de streekarchivarissen benadrukt Smits de historische banden met Duitsland die bepalend zijn geweest voor de identiteit van Liemers. Onder Duits bestuur genoot de regio in tegenstelling tot de Achterhoek, waarmee Liemers vaak in één adem wordt genoemd, godsdienstvrijheid, waardoor het merendeel van de bewoners rooms-katholiek is gebleven, wat tot uiting komt in processies, carnaval en schutterijen.

Op de eerste verdieping van Hotel Grand Café de Tolkamer, waar de ontbijtzaal een magnifiek uitzicht biedt op de continuvaart op de Rijn en het lege land rond de Schenkenschanz aan de overkant; de linkeroever die op 19 april 1865 dankzij ’Trajekt’ per trein bereikbaar werd.
Trajekt was de naam van het veer tussen Welle en Spyck waarop de rijtuigen van een even merkwaardig als marginaal spoorlijntje de Rijn werden overgevaren. Dertig jaar reed tussen Zevenaar en Kleef (Giesen: ’Het dialect van Zevenaar en Kleef verschilt niet veel van elkaar.’) een lokaaltje dat ook nog eens via een lange brug de Griethauser Altrhein moest passeren.
De Tolkamer, voormalig douanekantoor in het dorp Tolkamer bij Lobith, is evenals Villa Copera, een tot brasserie en restaurant verbouwde directeurswoning van de belendende steenfabriek, een plek die zich uitstekend leent voor historische bespiegelingen waarvan de weemoed afdruipt.
Het deels in art-decostijl verbouwde hotel en restaurant – met beeldentuin – liggen op loopafstand van elkaar en symboliseren de herrijzenis van een grensplaatsje met een destijds bloeiende middenstand, want de schippers brachten geld in het laatje. Tolkamer dreigde een rafelrand van Nederland te worden, maar opkomend toerisme doet de herinnering aan een bruisende douanepost vervagen.

Het verleden blijft echter opspelen, althans bij degenen die van de nuance in het kwadraat houden. Historisch gezien horen Tolkamer en Lobith niet bij Liemers. Ooit lagen de dorpen aan de linkeroever van de Rijn, op wat in de volksmond het Gelders Eiland heet. De polders en uiterwaarden die thans worden begrensd door Rijn, Pannerdens Kanaal, Oude Rijn en Rijnstrangen (voormalige rivierbeddingen) werden Over-Betuwe genoemd.

Ze bestrijken tegenwoordig een aanzienlijk deel van het ontwikkelingsgebied de Gelderse Poort, dat recreant en liefhebber van pure natuur wil laten profiteren van oorspronkelijk rivierlandschap.
Boerenland wordt teruggegeven aan de natuur. De fietser die vanaf Tolkamer het eiland ’rondt’, wordt er met zijn neus opgedrukt. Totdat hij bij Kandia belandt en op een sleuf stuit die niets met natuurontwikkeling heeft te maken maar alles met de aanleg van de Betuwelijn. Op deze plek lopen drie fietsroutes en een wandeling vast en moeten gebruikers met behulp van een kaart een uitweg zoeken (niet te moeilijk).
Op deze plaats ook komt de Betuwelijn van onder het Pannerdens Kanaal tevoorschijn en ploegt hij door de vette klei een diepe voor naar Zevenaar, waar het Liemers Museum in Huize Mathena, een zeventiende-eeuwse havezate, is ondergebracht.
Het museum, letterlijk onder de rook van de Turksch Macedonische Tabak-Maatschappij die de Zevenaarders nog altijd Turmac noemen in plaats van BAT (British American Tobacco), en de Panoven, een authentiek steenbakkersbedrijf op vijf minuten fietsen van de naar boenwas ruikende havezate, bieden de bezoeker een spoedcursus Liemerse historie.
Veel rooms-katholieke parafernalia, archeologische opgravingen, vitrines met producten van de Gimborn-fabriek en de Turmac, herinneringen aan het joodse verleden in de vorm van een rabbinaal boterstempel uit Wehl, en talrijke schenkingen, zoals ’het theestelletje dat het dienstertje Berendina Bosch bij haar huwelijk cadeau kreeg van dr. Honig en zijn vrouw’.

In rijksmonument en baksteenmuseum de Panoven, waar tot 1983 op ambachtelijke wijze stenen werden gebakken, kun je je tijdens een bezielende rondleiding snel verplaatsen in de tamelijk beroerde arbeidsomstandigheden van stokers en sjouwers én in het dramatische gevecht van de eigenaar om een nieuw bestaan in de toeristische sector op te bouwen.

Toerisme in Liemers is over het algemeen kleinschalig, van een juweel van een ’tuin met beelden’ – beeldentuin doet geen recht aan de hovenierskunst van de eigenaresse – in een nieuwbouwwijk van Pannerden (galerie De Pol) tot de verfijnde merklappen die Jan Houtman, nazaat van Oost-Indiëvaarder Cornelis Houtman in Hofstede De Haemmaeker in Aerdt vervaardigt.

En altijd is er de natuur die elke verplaatsing tot een genot maakt. Van De Swaenebloem in De Bijland, waarvan de eigenaar van een hotel op palen droomt tot de verruigde uiterwaarde de Steenwaard en het beboste Montferland dat al generaties lang populair is bij (oudere) toeristen en tegenwoordig ook bij outdoorliefhebbers.
Nu Liemers nog.
Nooit van gehoord?

(naar tekst van Cees Gloudemans, De Volkskrant)